Ook dement met talent

Steeds meer organisaties verlenen persoonsgerichte zorg. Om die zorg te kunnen leveren worden levensverhalen van cliënten achterhaald door interviews met mantelzorgers. Er worden albums en posters gemaakt met foto’s uit het verleden van de cliënt. Er wordt gevraagd wat iemand vroeger deed, wat iemand leuk vond. Maar vragen we ook naar iemands talenten? En wat zijn dan talenten? Kan je die vraag wel bij iedereen stellen?

  

Wij denken dat iedereen talent heeft! Ook mensen met dementie. Maar veel mensen zullen bij het woord talent denken aan de uitblinkers in sport, kunst of muziek. Weinig mensen zullen bij talent denken aan hun eigen eigenschappen, bijvoorbeeld het onmiddellijk herkennen van fouten in een e-mail, bij het naar binnen stappen in een ruimte meteen de sfeer proeven of in elke situatie de positieve kanten zien. Deze drie voorbeelden komen overeen met de talenten Foutenspeurneus, Sfeervoeler en Positivo (Luk DeWulf, 2009).

  

In zijn boek onderscheidt Luk DeWulf 39 talenten waarvan de bovengenoemde 3 deel van uit maken, maar er zijn ook mensen die als talent Groepsdier hebben of Vertrouweling, Rots, Doordenker of Buikdenker, Ontstaansbegrijper, Ontrafelaar. Voor al deze talenten geldt dat ze tot uiting komen in een activiteit wanneer iemand iets moeiteloos doet, de tijd uit het oog verliest én er plezier aan beleeft. Die omschrijving kennen we ook als flow van Csikszentmihalyi (2008).

  

En dat is interessant want flow bij ouderen in een institutionele setting heb ik al eens onderzocht. Daaruit bleek dat de omgeving van de zorginstelling het ouderen moeilijk maakt om activiteiten uit te voeren die hen in flow brengen. Veelal is er te weinig uitdaging voor hen of is er juist te veel uitdaging. Onderstaande afbeelding laat zien waar dat toe kan leiden:


Wanneer de uitdaging die van iemand gevraagd wordt niet past bij iemands vermogen ontstaat er gedrag dat we in de zorg probleemgedrag of onbegrepen gedrag noemen. Hoe mooi zou het zijn dat als wij weten wat iemand voor talenten had en heeft we daarvoor passende activiteiten kunnen organiseren. Dit vraagt een stapje meer dan alleen vragen wat iemand vroeger graag deed of interesse in had.

  

Stel een cliënt voor waarvan wij weten dat hij vroeger van tuinieren hield. Het lijkt zo voor de hand te liggen om iemand dan mee te laten helpen in de tuin van de instelling of op het terras wat tuinbakken op hoogte te zetten. Maar weten we eigenlijk wat hij zo prettig vond aan het tuinieren? Wat was de context waarin hij tuinierde? Als blijkt dat hij een Creatieve maker is, die het proces minstens zo belangrijk vindt als het resultaat, en hij moet samen met een Mooimaker tuinieren die er vooral voor gaat dat alles mooi en esthetisch is, kan dat botsen. Als de Creatieve maker dan ook nog eens een Bewuste beweger is die het lichamelijke nodig heeft om tot rust te komen en weer een ander de Meetrekker die ervan geniet om anderen te enthousiasmeren, kan dit tot wrijving leiden. Met alle consequenties van dien, waarbij onbegrepen gedrag op de loer ligt. (Ze houden toch alle drie van tuinieren?!)

  

Maar als we verder kijken dan het levensverhaal en oog hebben voor wat iemand maakt wie hij werkelijk is, valt dit heel goed te begrijpen. De vraag is of wij zo nauwkeurig naar iemand kijken en in kaart brengen waar iemands talenten liggen. Vragen wij ons af hoe wij een omgeving voor deze cliënt kunnen scheppen waarin hij zo goed mogelijk ondersteund wordt om datgene te kunnen doen wat hem echt plezier brengt. En hoe eenvoudig het ook is om het op te schrijven, het werkelijk in praktijk brengen vraagt nog het nodige. Zeker bij iemand met dementie. Wie uit zijn omgeving kan vertellen wat maakte dat iemand van tuinieren hield? Toch lijkt die inspanning meer dan de moeite waard. Hoe dichter we kunnen benaderen wat iemand in flow bracht in zijn dagen zonder dementie, hoe groter de kans dat we in staat zijn de zorg echt op het individu af te stemmen. Dat is persoonsgerichte zorg in optima forma!

  

Een andere vraag is of we onze eigen talenten wel kennen. En weten we het verschil tussen een talent en een competentie? Doen we op ons werk de dingen die we echt leuk vinden en bij onze talenten passen of hebben we een competentie ontwikkeld en vinden we dat misschien niet eens echt leuk, gaat het ons niet moeiteloos af. Al zijn we er nog zo goed in. Met mogelijk verstrekkende gevolgen. Want wanneer de omgeving waarin je je werk verricht niet past bij je talenten wordt het lastig om echte voldoening en plezier uit je werk te halen. Maar daarover meer in ons volgende blog.